Sinds januari 2006 ben ik in samenwerking met De Verre Naasten uitgezonden naar een van de
Gesloten Gebieden. Na bijna twee jaar taalstudie ben ik als verpleegkundige in een christelijk
ziekenhuis gaan werken en drie jaar later werd mij gevraagd een klein kliniekje in een afgelegen
dorpje over te nemen van iemand die met pensioen ging. Je zou het een soort huisartsenpost
kunnen noemen. Inmiddels werk ik er zeven jaar (januari 2018) en is het aantal patiënten dat
dagelijks komt, verdubbeld. Ik ben dan ook blij dat tegenwoordig een echte huisarts de meeste
patiënten ziet. We zien gemiddeld dertig patienten per dag en hebben een klein laboratorium en een kleine apotheek.

Doordat de arts en een collega die de registratie en het labwerk doet, meestal in de kliniek zijn, heb ik veel tijd om bij mensen op bezoek te gaan. Soms zijn dat ouderen die thuiszorg nodig hebben of gehandicapten die hulpmiddelen nodig hebben of oefeningen moeten doen. Chronisch zieken hebben soms begeleiding nodig, bijvoorbeeld mensen met diabetes die willen leren zelf bloedsuikers te meten en insuline te spuiten. Ook zijn er arme gezinnen waarvoor ik kleding, een voedselpakket of schoolspullen heb kunnen regelen of mensen die aangegeven hebben graag door te willen praten over hun problemen.

Sinds vier jaar deel ik mijn leven met een pleegdochter. Ze heeft diverse handicaps en komt uit een nogal disfunctionele familie. Ik heb haar ernstig ziek en gewond gevonden bij haar psychotische moeder. Ze was toen ruim een jaar oud. Hoewel ik altijd heb gezegd niet voor een baby te willen zorgen, heb ik haar meegenomen naar huis, in de verwachting dat ze zou overlijden of andere familieleden voor haar zouden willen zorgen. Geen van beide gebeurde, dus zo werd ik op mijn veertigste alleenstaande moeder van een meervoudig gehandicapte dochter! Maar ze is een bron van heel veel vreugde en geluk. Ze is bijna altijd vrolijk en zingt erg veel. We proberen goede contacten met haar familie te onderhouden, maar er is weinig animo van hun kant. Helaas is adoptie binnen de islam verboden, anders zou ik haar zeker willen adopteren.

Mijn pleegdochter heeft allerlei nieuwe werelden voor mij geopend: de wereld van het
moederschap, maar vooral ook van het alleenstaande ouder zijn en het moeder zijn van een
gehandicapt kind. Er zijn in dit land heel veel gehandicapte kinderen, die veelal verborgen worden gehouden en voor wie bijna geen faciliteiten zijn. Vooral vanuit de dorpen is het heel moeilijk om fysiotherapie te krijgen, logopedie, speciaal onderwijs, etc. Inmiddels heb ik een speciale band met veel moeders van kinderen met handicaps.
Mijn relatie met mijn pleegdochter laat mij ook steeds meer zien hoeveel God van ons houdt en hoe Hij ons heeft geadopteerd in Zijn familie. Ik heb dit de afgelopen jaren talloze malen uit kunnen leggen aan lokale mensen die zich verbaasd afvroegen waarom je ooit voor een kind zou gaan zorgen ‘waar je niks aan hebt’. De cultuur hier is gebaseerd op reciprociteit: als iemand iets voor je doet, moet je iets terug doen. Je zorgt voor je kinderen in de verwachting dat ze voor jou gaan zorgen, etc.

Na twaalf jaar in dit land zie ik steeds meer verharding. Het wordt steeds moeilijker om iets over ons geloof te mogen zeggen en de overheid probeert het aantal verblijfsvergunningen voor
buitenlanders ook steeds meer terug te dringen. Het ziet ernaar uit dat ik mijn verblijfsvergunning ga verliezen en dan weer als toerist het land binnen moet gaan komen. Dit heeft als consequentie dat ik er elke drie maanden uit moet en dat mij mogelijk de toegang geweigerd gaat worden.

We leven bij de dag en proberen elke dag zoveel mogelijk Gods liefde uit te dragen en van elkaar te genieten, wetend dat er snel een eind aan onze relatie kan komen. Het is voor mij een enorme troost te weten dat mijn dochter nooit meer uit Jezus’ handen kan vallen.
Wil je meer over ons weten of mijn gebedsbrieven lezen, vraag dan in de kerk naar mijn
thuisfrontcommissie.